We zien Till Eulenspiegels narrenkap en denken daarbij aan de hofnar. De hofnar is een figuur die de heerser vermaakt, maar tegelijk ook advies kan geven. En omdat het vaak niet helemaal duidelijk is of een nar wel volledig toerekeningsvatbaar is, geniet hij een bijzondere vrijheid: de zogenaamde narrenvrijheid.
In de verhalen van het volksboek treedt Till echter niet als hofnar op. Misschien is er één uitzondering: een verhaal dat zich afspeelt aan het hof van de koning van Polen, waar Till voor een hofnar wordt gehouden.
Juist in dit verhaal gedraagt Till zich echter bijzonder grof en weerzinwekkend. Daarom wordt hij in het volksboek ook niet als hofnar aangeduid.
Het woord „nar“ verschijnt daar vooral in combinatie met het woord „schalk“. Till is dus een schalk – of een schalksnar. Een schalk is een kleine demon die op de schouder van de mens zit en hem met gefluister probeert te verleiden tot het kwade.
En zo wordt Till hier ook begrepen: als iemand die anderen tot het kwaad probeert te verleiden.
Maar het woord „nar“ kan ook anders worden opgevat. Ook vandaag gebruiken we het soms voor iemand die misschien niet helemaal toerekeningsvatbaar is. In die zin zou Till een zonderling kunnen zijn.
Als u naar deze Till kijkt, rijst daarom een vraag: speelt hij een rol – of is hij echt zo? Is dit zijn gezicht? Of trekt hij alleen een grimas?